De Doedelzak


De doedelzak, een Coronkel, een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mjin Coronkels.

Elke woensdagmiddag ging ik naar de plaatselijke huishoudschool. Voor blokfluitles. Mijn opa had mij mijn eerste klanken op een rode plastic blokfluit geleerd; hij speelde een deuntje en dat moest ik dan naspelen. Met rode konen van inspanning en buiten adem leerde ik zo heel wat liedjes spelen.

Van de kerstman kreeg ik een echte blokfluit, een houten. 27 Gulden had hij gekost, het stond in keurige lettertjes op de doos. Met olie en een wissertje. Het was mijn enige cadeau onder de boom dat jaar, zo’n kostbaar instrument.

 

Bij de nieuwe fluit hoorde een nieuwe leraar. Vandaar mijn wekelijkse fietstochtje naar de huishoudschool, want daar huurde de man een kamertje. In dat kamertje stonden een paar stoeltjes, een muzieklessenaar en een gruwelijk valse piano. En er hing een schoolbord met een bakje met krijtjes er aan vast. Daarmee kon mijn nieuwe leraar op het bord uitleggen wat ik allemaal fout deed. Eerst moest ik noten leren lezen. De deuntjes die ik al kon spelen mochten niet meer, want daar had ik geen bladmuziek van. Dan kon mijn leraar niet zien of ik het wel goed deed. “Kunt u het dan niet horen?”, heb ik één keer gevraagd. Nou, dat heb ik geweten, zo’n sullige vraag had hij nog nooit gehoord! En bovendien: uit het hoofd spelen was uit den boze (met hoofdletters !!). Orde!

 

Dus hóppekee, ik met mijn ‘James Arden’-boekjes en ‘De Kleine Blokfluiter’ aan de slag. Het viel niet mee, want eigenlijk moest ik een soort van opnieuw beginnen. En alle begin, ook het tweede, is moeilijk. Maar ik zette door, want de kostbare fluit en de dure lessen boden geen ruimte voor opgeven.  

 

Vóór mijn les had mijn leraar op zekere dag nóg een leerling, een slungelige jongeman met een instrument dat nog het meest leek op een grote, zwarte blokfluit met zilveren knopjes erop. Het bijzonderste vond ik het mondstuk: uit de bovenkant van de zwarte buis stak een dubbelgevouwen rietje. Zó strak zaten de beide kanten tegen elkaar aan gedrukt dat je er met moeite limonade uit zou kunnen drinken. Maar er moest ook geen limonade úit, er moest lucht ìn. Het leek mij bijzonder moeilijk.

 

Dat was het ook, want het geluid dat de jongeman er uit wist te persen, klonk doordringend en leek in de verste verte niet op dat van een blokfluit. Al bij de eerste snerpende klanken liepen de rillingen langs mijn rug. Kattengejammer was er niks bij. Zelfs de krijtjes lagen te bibberen in hun bakje.

En toch deed het mij ergens aan denken. Maar wat?

 

“Dit is nu een hobo”, zei mijn leraar de week erop en hij wenkte mij om dichterbij te komen kijken. Ik wees naar het vreemde mondstuk.  “Een hobo is een dubbelriet-instrument, kijk.” En hij haalde het dubbelgevouwen rietje uit de bovenkant. Hij blies er op. Ook zonder het instrument er aan vast maakte het rietje dat krijsende geluid. Het klonk iets beter dan wanneer de slungelige jongeman het probeerde, want, zo onthulde mijn leraar: “Ik ben hoboïst”. 

 

De komst van de leerling-hoboïst bracht verandering. Nadat ik vóór mijn les de helse hobo overleefde en tijdens mijn les mijn best deed op mijn kostbare blokfluit, hoorde ik vanaf nu steevast aan het eind van mijn les: “Niet gek, niet gek. Maar ja, het is geen hobo hè. Nee, duidelijk géén hobo.” De lol was er af. 

Tót die avond.

 

Het moet begin juni geweest zijn. We moesten ’s avonds op tijd aan tafel, want er zou een film komen op tv. Een film die mijn vader graag wilde zien, die keek hij altijd in deze maand. Ik had de film nog nooit gezien, maar vanavond mocht ik opblijven. Het bleek een oorlogsfilm. Bah ! Eng, maar omdat ik op mocht blijven zat ik stil met een boek op de bank. En ineens, daar was het ! Dat geluid ! Dat snerpende, vreselijke kattengejank, maar nu driedubbel! Wat? Duizend keer zo erg!

 

Verbijsterd keek ik naar de tv. Ik zag een man in een rok met een zak onder zijn arm waaruit wel 4 pijpen staken. Op één daarvan blies hij. Een doedelzak! De man was erg dapper, hij bleef maar spelen en spelen terwijl al zijn soldatenmakkers achter hem aan marcheerden. De moffen (zo noemde mijn vader die andere soldaten) schoten niet op hem. En dus ook niet op zijn mannen. Geweldig! Na de film, die best heftig was, mocht ik nog een glaasje limonade. “Weet je, pap”, zei ik, “die doedelzak klonk precies zoals die hoboïst op les”. “Een Schotse doedelzak is óók een dubbelriet-instrument”, antwoorde mijn vader. 

Er ging een wereld voor mij open.

 

De volgende woensdag was ik alweer vroeg present, op de een of andere manier klonk de hobo toch net iets anders dan de vorige keer. Een instrument dat een oorlog kon winnen, daar kon je toch alleen maar respect voor hebben? Maar toen de slungelige jongeman eindelijk klaar was en met zijn puisterige neus in de lucht langs mij vertrok, kon ik het niet helpen dat ik dacht: “hé, hé, eindelijk, daar gaat-ie, de doedel-zak”.