De juiste pad


De juiste pad, een Coronkel, een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mijn Coronkels.

Na een paar weken slecht weer scheen eindelijk de zon. Slecht weer deert het onkruid niet, dus het was tijd om orde te scheppen in de tuin. Ik begon achteraan, bij het stukje dat grenst aan ons achterpad dat langs alle huizen bij mij in de straat loopt. Het strookje langs de sloot wordt door de gemeente gemaaid, maar aan de kant van de huizen hebben alle bewoners hun fantasie de vrije loop gelaten. Dat heeft geleid tot veel diversiteit; fantasie kent verrassende kanten. Ik nam mijn krukje mee, zodat ik comfortabel mijn stukje, van 1 bij 6 meter, onderhanden kon nemen. 

 

Ik was al lekker gevorderd toen er een jongetje over het pad in mijn richting drentelde. Hij was een jaar of 4 of 5? Kleine kinderen, ik heb er niets mee, ik weet nooit wat ik tegen ze moet zeggen. Meestal hoef ik ook niets tegen ze te zeggen, want ze gaan altijd huilen als ze mij zien. En dan rennen ze hard weg. Als het even kan ontloop ik ze. Maar nu kon ik geen kant op, het blonde mannetje was al gevorderd tot mijn tuindeur en leek vastberaden. Naast mijn krukje hurkte hij. Daar kan ik nou jaloers op worden, het gemak waarmee kleine kinderen hurken. Of liever gezegd: het gemak waarmee ze daarná weer overeind komen.

 

‘Hoi’, zei hij, ‘wat ben jij aan het doen?’ Ik aarzelde even, zou hij gaan huilen? Maar niets wat daarop leek, dus ik antwoorde: ‘Hoi, ik ben onkruid aan het wieden’. ‘Onkruid?’ Het klonk onzeker. Hij woont een paar huizen verder, zijn ouders hadden de tuin kindvriendelijk gemaakt, met een schommel en een trampoline. Geen gras, geen struiken, alleen kruiden in een pot. Dan hoef je geen onkruid te wieden.  

 

‘Wat is onkruid?’, vervolgde hij. ‘Onkruid zijn plantjes die ik niet op deze plek wil hebben. Dan hebben mijn andere plantjes de ruimte om te groeien’. ‘Dus dat gras, dat is onkruid?’, vroeg hij. ‘Ja, hier wel, maar als gras op jouw voetbalveld groeit, dan wil je het juist liever laten staan, toch? Daar is het géén onkruid’. Het was een veel te lange en moeilijke verklaring besefte ik. Nou zou hij wel gaan huilen. Of hard wegrennen. Eigen schuld, ik ook altijd.

 

Maar tot mijn verrassing knikte hij instemmend. ‘Ja’, zei hij, ‘daar zit wat in’. Op de een of andere manier paste dat niet bij zo’n klein kind, zo’n verklaring. Ik vatte moed: ‘Wil je ook even wieden?’ Zonder een woord te zeggen pakte hij mijn harkje en begon een paardenbloem op te graven. Hoe wist hij dat die paardenbloem, die prachtig in bloei stond, onkruid was? Dat wist hij ook niet bleek een paar tellen later: ‘Zo’n mooie bloem wil mama wel in een pot zetten, staat gezellig’, verklaarde hij. Hij keek mij stralend aan: ‘Leuk zeg, dat wieden!’. ‘Zeker’, beaamde ik. Wát een bijzonder kind.

 

Ineens werd zijn blik getrokken naar een beweging op de plek waar hij zojuist de paardenbloem had geslacht. Ik keek ook en voelde me misselijk worden: een pad. Weliswaar niet zo’n dik, prehistorisch monster die zich in mijn tuin verscholen had en die altijd op het laatste moment tevoorschijn kwam, néé dit was een kleintje. Zó klein had ik ze eigenlijk nog nooit gezien. Ik ben bang voor padden, als ik er één tegenkom, ren ik hard weg, totdat het monster heeft besloten weg te waggelen. Vér weg, hoop ik dan.  Ik raak ze niet aan, zelfs niet met een schepje. Spinnen, salamanders, muizen, ratten, het deert mij allemaal niet, maar padden: ik ga er voor op de loop. En nu zat er zo’n akelig monster zó vlak bij en kon ik nergens heen. 

 

Het kind stak zijn hand uit en pakte het padje op: ‘Kijk eens: een pad’, zei hij. Hij zette het enge ding op zijn handje en bekeek hem aandachtig. ‘Lief hè’, hij straalde helemaal. ‘Zo’n lief klein diertje. Helemaal alleen. Zou hij zijn moeder kwijt zijn?’ Het idee dat dat gedrocht ook een moeder in de buurt zou hebben deed mijn maag omkeren. Moeders zijn groter dan baby’s, véél groter. Oh, lieve help!! 

 

Ik slikte een paar keer krampachtig. De ergste misselijkheid verdween. Door de ogen van mijn jonge buurtgenootje keek ik naar het beest. Eigenlijk stom om zó bang te worden voor zo’n diertje. Het kind pakte mijn hand en zette het padje erop. Ik slikte nog een keer hevig. Toen werd ik gevangen door zijn verwondering. ‘Hij is zeker mooi’, zei ik, ‘maar nog héél erg klein. Ik denk als we hem terugzetten in de schaduw, dat zijn moeder hem straks wel vindt. Ze is waarschijnlijk bang voor ons en wacht tot wij weg zijn’. 

 

Het mannetje knikte instemmend, hij pakte het padje van mijn hand en zette hem op een donker plaatsje onder de heg.  Gevaar geweken. En toch: het was niet zo eng als ik had gedacht: het padje niet en het kind zéker niet. Hij stond op: ‘Ga je morgen weer wieden?’, vroeg hij. Ik knikte: ‘Ja, als het goed weer is’. ‘Mmmmm, dat wordt het wel’, zei hij, alsof hij dat helemaal in de hand had. ‘Nou tot morgen dan hè, buurvrouw?’ vervolgde hij. 

 ‘Tot morgen’, zei ik. En tot mijn eigen verbazing keek ik er al naar uit. Een kwestie van de juiste pad?