De kreeft


De kreeft, een Coronkel, een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mijn Coronkels

Het was stil op die late zondagmiddag in mijn achtertuin. Geen vliegtuigen, geen auto’s. Ondanks het mooie weer was bijna iedereen binnen. Zo besmettelijk zou Corona toch niet zijn? Ik genoot van het zonnetje toen ik een koude windvlaag voelde. Twee vrolijke gezichten keken door een kier van de zojuist geopende poortdeur. “Hoi, hoi”, zei mijn vriendin. Zij en haar man hebben een restaurant en waren bezig geweest met het opruimen van de keuken. “We komen niet verder hoor, maar we hebben iets voor je meegenomen, kijk!” Ze wees op twee grote plastic tassen die haar man had neergezet. Eén puilde uit met verse paprika’s, de andere bewoog in de wind. Wat er in zat, kon ik niet zien. Iets grijzigs, een fles wijn of zo?  “Kreeft”, wees ze. Kreeft? 

 

Ik ben dol op kreeft. Maar dit was andere koek. Die plastic tas wiebelde niet vanwege de wínd, nee, zijn inhoud wilde maar wat graag ontsnappen! “Zoooo”, stamelde ik, “Nou, eh, hartstikke bedankt. Dat wordt smullen !”  Ze zwaaiden. Zo onverwacht als de beide koppies verschenen waren, zo snel verdwenen ze weer.

 

“Mmmm, lekker vis vanavond”, zei mijn man. “Kreeft is geen vis, kreeften zijn geleedpotigen”. 

“Oh”, zei hij. Nooit van gehoord. Of niet onthouden. In het voorjaar, tijdens de eerste lentewandelingen heeft hij het ook altijd over “springdingen” en “gele bloemen”, (jonge geitjes en narcissen…). 

 

De tas bewoog weer. De kreeft werd steeds tieriger. Een gekookt exemplaar open kraken, het vlees er uit peuteren en smullen, dat kon ik als de beste. Maar déze makker moest nog worden gekookt! En dat vooruitzicht beviel hem voor geen meter. Meters maken viel ook niet mee, want zijn scharen zaten netjes met een elastiekje bij elkaar gebonden. Dat maakte hem een stuk minder gevaarlijk. Of was het een zij? Ik besloot op “hij”, zo’n stoer beest.

 

Zo lekker als ik in het zonnetje zat, zo graag wilde de kreeft er uit. Kreeften komen uit de ijszee; ze houden van kou. Ik pakte het beestje voorzichtig op en stopte hem, zorgvuldig in zijn tas, in de koelkast. Vanavond nog effe geen kreeft. 

 

De volgende dag bood Google hulp; hoe bereid je verse kreeft? “Er zijn drie opties: je kookt de kreeft levend, je legt de kreeft in de diepvries zodat hij in coma raakt en niets meer voelt of je zet bruut, maar humaan een mes in zijn kop en snijd hem doormidden. Wat je ook doet, besef dat dit het moeilijkste punt van de bereiding is, wat erna komt is een eitje”, las ik.

Als iedereen elke keer een beestje moet doodmaken om vlees te kunnen eten, wat zouden er dan veel vegetariërs zijn. 

 

Humaan, dat leek mij wel wat. Ik zette het water alvast op, de tafel was gedekt, dit keer inclusief waterpomptang (ja, je moet wat als je geen kreeftbestek hebt). 

Dat humaan en bruut hand in hand gingen dat moest ik voor lief nemen.

 

Mijn kreeft bleek een ware Houdini, elke keer als ik mijn koelkast open deed, zat hij op een andere plek. Hij vond z’n plastic tas niks en kroop naast de melkpakken, achter de bierflesjes en de slagroom. Nu opende ik de koelkast voor zijn laatste keer; het keukenmes glom naast de snijplank. 

Het felle licht maakte hem nog bewegelijker dan anders, hij wilde niet stil blijven zitten op de plank. Zijn zwarte oogjes keken mij aan. Wauw, die blik ! 

Ik had nog nooit een levende kreeft van zó dichtbij gezien. Hij keek mij aan alsof hij zeggen wilde: “Kun je wel ? Lekker dapper hoor, zo’n groot mens tegen zo’n klein beestje als ik”. 

De “brute, doch humane oplossing” smolt als sneeuw voor de zon. Bijna had ik het dappere kereltje, dat al die tijd om zijn vrijheid had gevochten, in de sloot gegooid. Maar dat zou echt een lijdensweg voor hem zijn geworden; een koud-zoutwaterdier overleeft niet in warm-zoet water. 

 

“Sorry ventje, dan had je je maar niet moeten laten vangen”, zei ik tegen hem. Ik pakte hem weer in zijn plastic tas en liep naar mijn vriezer. De kookwekker stond op 30 minuten. Voor de zekerheid zette ik ook de wekker op mijn mobiel. Ik legde hem direct tegen de wand, dan zou hij snel te koud worden om nog iets te voelen. 3o Minuten later lag hij stil op mijn snijplank. Het mes deed de rest. 

 

“Heerlijk hè?”, smulde mijn man. De mooiste stukken waren voor hem geweest, ik had deze keer de pootjes afgekloven.  Meer dan genoeg.

 

“Wat staat er morgen op het menu?”  Ik herinnerde mij de andere tas, die met de paprika’s.  “Goulashsoep? Chili? Paprika-salade

Toen dacht ik aan Google: “Wat er na komt is een eitje”.

“Morgen? Omelet !