De magie van de heks


De magie van de heks: een Coronkel,  een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mijn Coronkels.

Bijzonder om te zien: de lege stranden in Spanje. Spanje, mijn tweede vaderland, ik kom er al 33 jaar elk jaar, de laatste jaren steeds vaker. Ik hou van de zon, het mañana-mañana-gevoel (alleen tijdens mijn vakantie hoor!) en het eten. De Spanjaarden spannen zich nu in om hun stranden corona-proof te maken om straks toeristen te kunnen verwelkomen. 

 

Ineens herinner ik mij een dag op het strand, jaren geleden, toen Corona de wereld nog niet in zijn greep had. Het was bom- en bomvol. Veel te druk, de zonaanbidders lagen als haringen in een ton. Op mijn luchtbedje ergerde ik mij mateloos; waarom kwamen al die mensen naar het strand? Hadden ze niks anders te doen? Nee dus. 

 

Ik lag op het punt om mijn zooitje in te pakken, toen mijn blik werd getrokken naar twee laatkomers. Oude mensen, zij nog breekbaarder dan hij. Vooral de vrouw was een verschijning (in de slechtste zin van het woord). Broodmager, sliertige haren, slungelig en een gezicht waar ze zonder moeite een masker van konden maken voor een griezelfilm.  “De heks van de Riethoek”, viel mij in. Mijn oma zei dat altijd als ze vond dat ik er onverzorgd uit zag.  “Je ziet er uit als de heks van de Riethoek”. Zó had ik mij die heks voorgesteld. Sprekend !

 

De oude man leidde de heks voorzichtig langs de bakkende mensen in de richting van de zee. Daar vlakbij waren nog een paar plekjes leeg, maar ze gingen niet zitten. Uitermate behoedzaam nam hij haar knokige handen in de zijne om haar het water in te leiden. Hij achteruit, zij vooruit.

Hartstikke koud, maar ze gaven geen kik. Ze gingen maar een klein stukje. Ik wist wel waarom: er lagen daar veel rotsen onder water. Glibberig en verraderlijk. 

 

Mijn mede-badgasten waren vergeten, ik had alleen maar oog voor dat stel. De man lachte naar de heks, zijn  lach zei: “Kom maar, ik ben bij je, jou kan niks gebeuren.  Kom maar, nog een klein stukje”. Zijn ogen glinsterden van trots, dankbaarheid,  en een gevoel dat ik niet kon omschrijven. De man nam een beetje zeewater in zijn hand en druppelde dat over de arm van de heks. Hij lachte weer. Toen wees hij naar het strand: ”Terug?”

 

Hij liep heel bedaard om haar heen, zij draaide met hem mee. Het ging allemaal in slow-motion. Ik ving een glimp op van zijn uitdrukking. Hij zag er uit of hij een prachtig, breekbaar kristal in zijn handen had, maar het zelf eigenlijk nog niet kon geloven. Voetje voor voetje gingen ze samen de zee uit; hij leidde haar, zijn kostbaar juweel. Zij keek naar de zee, geconcentreerd: “niet uitglijden nu”. Samen bereikten ze het strand. Veilig.

 

Ze keek naar hem op en toen zag ik háár gezicht: ongelofelijk blij,  intens gelukkig. In één ogenblik veranderde de heks in een mooie vrouw. Een gelukkige, warme, intens liefdevolle oude dame. 

Mijn blik volgde hen toen ze langzaam naar de boulevard liepen, gluurderig, maar ik kon er niets aan doen, ik moest blijven kijken. Twee prachtige oude mensen die elkaar hadden gevonden. Hoe lang geleden? Eén dag? Een mensenleven? 

 

In een bel van geluk bereikten ze de boulevard, zich onbewust van het wonder dat zich zojuist had voltrokken. Onwetend dat ze mijn leven hadden veranderd. Voorgoed.

Mijn ergernis was verdwenen, ik schaamde mij. Mijn vooroordelen hadden het slechtste in mij boven gebracht. Oh, wat erg ! Toen haalde ik me weer haar gezicht voor ogen en ik glimlachte: Wát een prachtig mens, wát een fantastische gebeurtenis. 

 

Het liet me niet los, de hele verdere vakantie niet. 

Eenmaal thuis ging ik vroeg boodschappen doen. In de hal van de supermarkt liep een oud mensje, gebogen en met zichtbare moeite haar karretje voortduwend. Haar gezicht stond verdrietig, een beetje bang en in zichzelf gekeerd. Ze aarzelde bij het brood, ik moest even wachten tot ik er langs kon.

Toen ik naast haar stond knikte ik haar toe: “Wat een mooie jas heeft u aan”. Haar verdrietige uitdrukking veranderde in ongeloof. “Echt, die kleur staat u prachtig”. Voorzichtig glimlachte ze. “Dank u wel, wat lief van u om dat te zeggen”. Ze zei het zachtjes maar ik kon zien dat ze mijn complimentje waardeerde. “Fijne dag nog, hè?” “U ook”.

 

Ik zag haar nog bij de uitgang. Ze zwaaide naar mij. Ik zwaaide terug. 

Ondanks de boodschappen leek haar karretje lichter, haar rug rechter.

Heksen bestaan niet. 

Magie wel. Elke dag, ook nu. Júist nu.