De reddende rugzak

Een heerlijke namiddag, die dag voor mijn verjaardag. Mijn verjaardag ziet er dit jaar heel anders uit dan anders, al was het maar dat ik ’s avonds naar de repetitie van mijn harmonieorkest moet. Dat betekent dus: een ingevuld avondprogramma. Om me toch een beetje feestvarken te voelen ga ik daarom nu al uit eten. Ik heb een heel bijzonder restaurant uitgezocht, waar ze een verrassingsmenu hebben. Daar ben ik dol op, op verrassingen. Eigenlijk alleen leuke verrassingen, dat wel. De wandeltocht naar het restaurant duurt ongeveer anderhalf uur, maar met dit weer is dat een uitje op zich. Uiterlijk half vijf moet ik in de wandelschoenen zitten met mijn nette sandalen in mijn rugzak. Het oog wil ook wat in zo’n sjiek restaurant, toch?

 

Vanwege het prachtige weer wijzig ik opeens mijn plannen, als ik nú al vertrek, dan kan ik nog een tussenstop maken op een zonnig terras. Lekker een glaasje en dan het laatste half uur lopen. Goed idee! Kort na het -enigszins haastige- vertrek kom ik twee buurtgenoten tegen; de dame van het stel roept: ‘Je bent net te vroeg vertrokken!’ Huh? Hoe weet ze dat ik überhaupt zou vertrekken? Maar dan begrijp ik opeens wat ze bedoelt: ze zwaait met een prachtig boeket in mijn richting: ‘Kijk, alvast voor je verjaardag!’. Nou, wat is dát lief zeg, zo ontzettend leuk. En onverwacht ook. Dus eerst de bloemen terugbrengen en op water zetten.

 

Voor de tweede keer die middag verlaat ik mijn huis op weg naar het zonnige terras. Pas bij het station schiet het me te binnen: mondkapjes vergeten. Vanavond ga ik echt niet anderhalf uur terug lopen naar huis, dus ik moet met de trein. Maar zonder mondkapjes gaat dat niet. Verdraaid nog aan toe! Nou, omdraaien maar weer.

 

De derde keer dat ik vertrek is dat met een heel wat minder zonnig humeur dan een half uurtje geleden; mijn terras-uitje gaat er bij inschieten, anders ben ik niet op tijd. Of? Héé, als ik nu al in de trein spring en er halverwege weer uit, dan ben ik lekker snel bij het terras! Flink de pas erin dus, dan haal ik die van kwart vóór.

 

Gelukt! Opgetogen zit ik in de vrijwel lege trein. Met mondkapje. Binnen een paar minuten ben ik op mijn tussenstop. Even uitchecken en op anderhalve meter afstand richting de uitgang. Snel gaat het niet, er zaten meer mensen in de trein dan ik dacht en die gaan niet allemaal zo vlug. Passeren gaat niet, dus rustig aan dan maar. Voor de ingang van het station zie ik een meneer met een witte stok met rode banden komen aanlopen. Vlak voor de overweg aarzelt hij; ik zie dat het ribbel-pad daar ophoudt. Misschien is hij niet bekend met de situatie hier? De ene na de andere passagier passeert hem, sommigen zelfs met enig verwijt in hun houding; ‘wat staat die vent in de weg zeg!’. Het valt me nog mee dat niemand hem ondersteboven loopt.

 

‘Wat moet dat erg zijn’, denk ik. ‘In het donker op een vreemd station, bang om te vallen, mensen in overvloed en niemand steekt een hand uit’. Onwillekeurig denk ik aan een ander voorval, jaren geleden. Toen wilde ik een blinde mevrouw helpen bij een oversteekplaats. Nou, dat had ik beter niet kunnen doen. Wat een scheldpartij! Tja, enig begrip bij de doorlopende passanten heb ik wel.

 

Maar ja, niet iedereen is hetzelfde, misschien wil deze meneer wel graag een helpende hand? Ik kan het op z’n minst vragen. Er loopt niemand achter mij, dus ik houd niemand op. Haast heb ik niet, ik ben alleen maar op weg naar mijn zonnige terras. Op anderhalve meter van de meneer blijf ik staan. ‘Hebt u misschien hulp nodig meneer?’ vraag ik. ‘Ik weet niet of het perron links of rechts van mij is’, is het antwoord. Oh, dat is makkelijk te verhelpen. ‘Als u een paar stapjes rechtdoor loopt, dan is het perron aan uw linkerkant. Daar begint ook het ribbel-pad weer. Maar eerst moet u de rails oversteken.’ De meneer is tijdens mijn uitleg al begonnen aan zijn paar pasjes rechtdoor. Maar rechtdoor is voor een slechtziend iemand zo makkelijk nog niet, dat besef ik nu ineens. Ik zie hem richting de bielzen en het grove grind gaan! Oh, dat gaat niet goed, zo meteen valt hij nog! Beetpakken mag ik hem niet; ik heb mijn mondkapje al afgedaan op het perron en hij draagt er ook geen!

 

In een flits grijp ik hem bij zijn rugzak om hem te stoppen. ‘Nee, nee’, roep ik, ‘niet deze kant op, wácht!’ Gelukkig is de trein net vertrokken, anders was het nog gevaarlijk geworden ook. Ik heb nu nog minstens 12 minuten voor de volgende boemel aan komt denderen. De meneer is blijven staan, hij wacht op mijn volgende instructie. Met twee handen heb ik zijn rugzak nu beet, zo kan ik hem sturen. Dat gaat handig! Hij is in een oogwenk bij het ribbel-pad. ‘Hier is het ribbel-pad al’, vertel ik hem ten overvloede. Dat had hij al gevoeld. ‘Dank u wel’, zegt hij. ‘Fijne dag nog, blijf gezond’, wens ik hem. Dat laatste is er de laatste tijd ingeslopen: ‘Blijf gezond’. Alsof dat ‘blijf gezond’ benadrukken gaat helpen. Nee, dat weet ik ook wel.

Maar de rugzak wél, dat was een uitkomst. Vandaag een goede daad gedaan. Met de hulp van een rugzak.

De reddende rugzak.

Nóg een Coronkel lezen? Klik dan op deze link: Verhalen

De reddende rugzak werd als column gepubliceerd door het Gouds Dagblad op 29-9-2020