De schillen-boer

De schillen-boer, een kort verhaal uit de serie Coronkels, korte verhalen in Corona-tijd.

Op de koffie bij een buurtgenote, een schat van een dametje van in de tachtig. Zelfgebakken havermoutkoekjes mee en mijn nieuwste Coronkel. Op anderhalve meter kletsen we wat af. Haar kinderen en kleinkinderen proberen haar zo goed mogelijk te helpen, maar oh, wat is het stil soms. Ze vermaakt zich prima, want ze heeft allerlei hobby’s die ze lekker thuis aan de eettafel kan doen, maar toch: die oorverdovende stilte.

 

Dus kijken we alle twee altijd uit naar onze gesprekken: aan stof nooit gebrek. ‘Ik vind dit nog erger dan de oorlog’, vertrouwt ze me toe. ‘Echt’. Als mensen van haar leeftijd over de oorlog praten dan gaat het altijd over de oorlog die ze zelf hebben meegemaakt; de Tweede Wereldoorlog. Vijf jaar waarin de wereld in vuur en vlam heeft gestaan.

 

Iets weet ik wel van die tijd, maar meegemaakt heb ik hem niet. Gelukkig niet. ‘Nou’, zeg ik, ‘we hebben nu te eten, een dak boven ons hoofd en we weten dat er een einde gaat komen aan Corona. Of er komt een vaccin, of het virus dooft uit. Dat doet het altijd.’ ‘Ik denk vaak terug aan de oorlog’, zegt ze, ‘zeker nu. Maar je hebt gelijk: niets te eten hebben, niet weten of je huis er morgen nog staat, of je familie verraden wordt door iemand die je vertrouwt’.

 

Verraad, iedereen is er tegen, maar als het er op aankomt? Ik vertel haar een verhaal, het verhaal wat mij als klein meisje vaak werd verteld. Het ging over een boer. Hij had een boerderijtje In Kethel, onder de rook van Rotterdam. Hij was dol op koeien. Daar had hij er altijd veel te veel van. De koeien aten gras. En hooi.

Hij had ook varkens. Die aten schillen. En soms het afval van de jeneverstokerij; dan waggelden ze dronken over hun stuk van het erf. Lachen. Het vlees smaakte er niet minder om, integendeel!

 

De hele buurt kwam in de oorlog schillen brengen in ruil voor melk. De boerin zag er op toe dat de schillen netjes op de hoop werden gegooid en schonk de melk dan in de meegebrachte melkbusjes. Maar aan het einde van de oorlog waren er bijna geen schillen meer. De boerin zag dat haar buurtgenoten hun armzalige beetje schillen op de hoop gooiden. Met hun melk liepen ze dan terug naar de hoop. Ze bukten en deden de schillen weer in hun teiltje: voor de volgende dag. Ze sprak haar man er op aan: ‘Klaas’, zei ze, ‘ze nemen hun schillen weer mee’. Haar man knikte: ‘Tja Eef, wat zou jij doen als je honger had?’

 

Dat hun beesten het dan met veel minder schillen moesten doen, dat was een probleem wat zich wel zou oplossen. Of niet. Hij dacht er niet over na. In ieder geval scheelde het als je minder beesten had, of jongere dieren. Dus slachtte hij. Clandestien, zoals dat toen heette. Het vlees deelde hij met de buurt. Een paar smalle straatjes met kleine huisjes, veel kinderen in elk daarvan. Dat scheelde weer een paar dagen in hun nood. De boerin maakte bloedworst. Ook die werd gedeeld. In een crisis doe je wat je kan. Toch? Een heel varken opeten was veel te veel voor zijn gezin alleen. En zout om het vlees in te maken was op de bon. Als het er al was. Opeten dus, met de hele buurt.

 

Vlak na de oorlog kwam de politie aan de deur. De boer moest mee. Iemand had hem verraden. Clandestien slachten was strafbaar. Zes weken gevangenisstraf kreeg hij. Elke dag trok de boerin haar beste jurk aan, zette haar hoed op en ging bij hem op bezoek. Maar voor ze koers zette naar de bajes liep ze straat voor straat door het buurtje. Haar hoofd hoog, haar ogen fel. ‘Zien jullie dat ik hem bezoek? Zien jullie dat ik trots op hem ben? Wij hebben jullie aan eten geholpen, de oorlog door gesleept. Iemand van jullie heeft hem verraden? Wie?’

Ze zou het nooit te weten komen. De buurt sloot de rijen. Toen het niets meer uitmaakte zwegen ze.

 

Na zes weken brommen kwam de boer thuis. Hij was wat magerder maar ongeslagen. ‘Als ik het over kon doen, deed ik het zó weer’, zei hij tegen Eef. Die zei niets. Ze hoopte dat er voorlopig geen oorlog meer zou komen. Ze heeft er ook nooit meer één meegemaakt.

 

De boer overleefde zijn Eef nog een paar jaar. Hij bleef ondeugend tot het eind. Het verraad is hij nooit vergeten, maar als je hem er naar vroeg dan kreeg je steevast hetzelfde antwoord: ‘als ik het over kon doen, dan deed ik het zó weer.’

 

Elke crisis creëert zijn eigen verraad. En zijn eigen weldoeners. Onzichtbare helden.

Ik ben trots op haar die naast hem bleef staan.

En op hem: mijn opa, de schillen-boer.

Nóg een Coronkel lezen? Klik dan op deze link: Verhalen

De schillen-boer werd als column gepubliceerd in het Gouds Dagblad op 8-11-2020.