Een mooie dag


Een mooie dag, een Coronkel, een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mijn Coronkels.

Weer bewolkt ! Ik baal als een stekker. Na een voorjaar vol zonneschijn, genieten van de tuin en eten van de barbecue had ik me van onze zomer iets anders voorgesteld. Je zal het zien: zo meteen gaat het nog regenen óók. Bah ! Ik loop langs mijn hardloopschoenen naar beneden. Daar heb ik nou ook geen zin in. Stom, ik weet het, want van hardlopen word ik blij. Een lekker zorgeloos uurtje. Mijn actielijst voor vandaag is ellenlang; ik heb hem al drie keer aangeklikt, gekeken en weer weg geklikt. Ook geen zin in. 

Waar doe ik het allemaal voor. Alsof het iemand iets kan schelen wat ik vandaag doe. Of morgen.

Mijn slechte bui, ik weet waar die vandaan komt; eigenlijk ben ik niet boos, ik ben verdrietig en teleurgesteld. Nu alleen nog toegeven. Da’s moeilijk. Want wat dan?

 

Eerst maar een kopje thee. Thee, de troostrijkste drank ter wereld. Met kleine nipjes drink ik langzaam. Ik neem een besluit, ik ga een stukje wandelen. Zonder paraplu, zonder capuchon. Ik ga het noodlot tarten vandaag. Ulla pulla.

 

Voor ik het weet ben ik al een eind onderweg. Verderop is een park. De bloemperken zijn netjes onderhouden. Parmantige labels verklappen de soort. Zouden de bloemen lekker ruiken? Ik houd van geurende bloemen en vandaag nog meer dan anders. 

 

Verderop loopt een dame met een hondje. Een nette verschijning, keurig gekapt, oorbellen en lipstick. Het hondje ziet er zo mogelijk nog verzorgder uit. Af en toe kijkt hij naar haar alsof hij zeggen wil: ‘Gezellig hè? Wij zo met z’n tweetjes aan de wandel.’ Ik houd van zulke honden, hun aanhankelijkheid en hun wens om hun baasje blij te maken. Hij is me iets te klein, maar hij past perfect bij de dame.  Ik zie dat ze ouder is dan ik aanvankelijk dacht. Maar dat wil ze duidelijk niet laten merken. Het hondje leidt haar naar een bank, vlak bij een perk met geurende rozen. Ik keutel in dezelfde richting. 

 

De dame is gaan zitten. Als ik voorbij loop zeg ik: ‘Goedemorgen’. Ze kijkt op. Ze zegt niks maar klopt op de lege plek naast haar. Het gebaar doet me goed, ik ga zitten. Op anderhalve meter. Een poosje kijken we stil voor ons uit. Toch voelt het gebrek aan gesprek niet ongemakkelijk. Op de een of andere manier voelt het vertrouwd. Dan zegt ze: ‘Wat een mooie dag vandaag, vindt u niet?’ Ze kijkt naar mij, ze voelt mijn gemoedsonrust; waarom ik dat weet, weet ik niet. ‘Ik had me er iets anders van voorgesteld’, zeg ik.

 

‘Ja, dat doen we vaak’, antwoord ze. ‘Maar het loopt meestal anders dan we ons voorstellen. Dat hoeft niet persé slechter te zijn.’ Daar zit wat in, ik knik. ‘Toen ik trouwde, wilde ik heel graag kinderen’, vervolgt ze. ‘Jarenlang heb ik op kinderen gehoopt. Elke dag ging ik naar de kerk om ervoor te bidden. Uiteindelijk heb ik twee jongens gekregen. Wat was ik blij.’ ‘Wat fijn voor u’, zeg ik. ‘Ach, dat zou je zeggen hè, maar wat ik al zei, het loopt altijd anders. De jongste ging aan de drugs en toen wilde de oudste niet meer thuis komen. Jarenlang durfde ik nergens heen, want als ik wegging stal mijn jongste alles wat los en vast zat. Dat konden we niet lijden. Onze buren keken me met de nek aan als ik op straat kwam. In de kerk kwam ik nooit meer. Uiteindelijk heeft mijn man hem op straat gezet. Mijn oudste heb ik nooit meer gezien. Boos, omdat wij zijn broer hadden voorgetrokken. Later hoorde ik dat hij is getrouwd en zelf twee jongens heeft. Vreemd dat ik twee kleinzoons heb die ik nooit heb gezien, zelfs niet uit de verte. Jarenlang heb ik thuis gezeten, bang om bestolen te worden, bang om genegeerd te worden of nagewezen op straat. Ik weet niet wat erger is …’ 

 

Het hondje gaat voor haar zitten en bedelt om aandacht. Hij voelt dat zijn vrouwtje hem nodig heeft. Ze buigt, pakt zijn kopje en kroelt hem achter zijn oortjes. Er glinstert een traan in haar linkeroog, maar huilen doet ze niet. Ik wel. De tranen stromen over mijn wangen. In stilte. Ze diept een papieren zakdoek uit haar handtas op en legt hem in mijn richting. Dan zegt ze: ‘Ik ben zo blij dat ik nu naar buiten kan. Weer of geen weer, ik ga elke dag naar buiten. Zeker nu, met dat afstand-houden. Iedereen blijft bij je uit de buurt, hoe gelukkig kun je zijn?’

 

Ze kijkt in het rond. Dan wijst ze. ‘Kijk, een blauw plekje in de lucht.’ Ze staat op, haar hondje ook. ‘Het wordt een mooie dag’, zegt ze. Ze kijkt naar mijn natte wangen, een glimlach op haar gezicht. 

‘Mijn vader zei altijd: ‘Tel uw zegeningen, tel ze één voor één. Tel ze alle en vergeet er geen’. 

Ze knikt bij haar woorden. Blij met hun betekenis en de herinnering.

Vóór ze vertrekt legt ze een hand op mijn schouder en zegt: ‘Echt, het wordt een mooie dag, mijn kind.’