Gastvrij

Halverwege mijn rit zag ik een man van een jaar of 40 instappen. Hij liep met zijn schouders naar voren, zijn passen aarzelend, alsof hij niet wist of hij echt deze trein moest hebben. Zijn blonde haar kon wel een knipbeurt gebruiken en zeker wat shampoo. Hij ging een stukje verderop zitten. Aan de andere kant van het gangpad zat al een man, ongeveer dezelfde leeftijd. Een zakenman, dacht ik. Keurig in het pak, dat zag je niet zo vaak. Met een rugzak die er compleet niet bij paste. Maar wel handig, zo’n rugzak.

 

‘Hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?’, begon de zakenman. De blonde man keek van het raam af. Zijn blauwe ogen stonden dof, geen blik van herkenning. ‘Ik weet niet’, zei hij, ‘waar?’

‘Op de beurs toch?’ vervolgde de zakenman, ‘de huishoudbeurs? Stond u daar niet met een stand met bijzondere Hollandse hapjes?’ Er kwam een glimp van herinnering op het gezicht van de ander. ‘Dat zou kunnen’, zei hij. ‘Jemig, ‘bijna twee jaar geleden, het lijkt wel een ander leven.’

‘Is het nog gelukt? Die hapjes, bedoel ik’, vroeg de zakenman. ‘Ja, dat liep als een trein, kon niet beter.’ De blonde man aarzelde, toen zei hij: ‘Wat ik zei, een ander leven.’

 

‘Corona roet in het eten gestrooid?’ Ik vroeg mij af of de blonde man wel blij was met de aandacht. Hij had zo in zichzelf gekeerd geleken toen hij instapte. Ik vond het ook raar dat een vreemde zomaar zo’n lang gesprek begon. Ongemakkelijk, eigenlijk. De blonde man wendde zijn blik nu definitief van het raam. ‘Nee, Corona niet’, zei hij. Hij leek een besluit te nemen.

 

‘Die hapjes liepen dus als een trein, zoals ik zei. We hebben er zelfs extra koks voor moeten inhuren. Zo druk hadden we het in lange tijd niet gehad. We draaiden als een tierelier, overuren, alle vrije tijd er in gestoken. We dachten er over om óók online te gaan, maar toen …’.

De stilte die volgde was dreigend. Ik merkte dat ik mijn adem inhield.

 

‘Toen, eh... toen kreeg mijn vrouw een hersenbloeding. Ik vond haar in de badkamer. Ze is met gillende sirenes naar het ziekenhuis gebracht. Daar hebben ze gedaan wat ze konden, maar ze moest naar een verpleeghuis. Die blik toen ze besefte dat ze nooit meer naar huis zou komen, die krijg ik niet uit mijn kop. Het kostte ook heel veel geld. Ik heb het huis verkocht en ben op de zolder boven de zaak gaan wonen. Maar ik heb de zaak uiteindelijk niet kunnen redden, binnen een half jaar waren we failliet. Kort daarna overleed ze, dat was nog het ergste, dat ik háár definitief kwijt was, mijn grote liefde, mijn alles.’

 

Ik verbaasde me over het gebrek aan emotie op zijn gezicht. Hij sprak automatisch, als verdoofd. Maar nu hij aan zijn verhaal begonnen was, kon hij niet meer stoppen.

‘Ik heb een poos bij mijn broer gewoond. Op zijn logeerkamer. Een baan gezocht als kok. Ik wil iedereen afbetalen. Onbegonnen werk. De belasting en de bedrijfsvereniging hebben alles opgeslokt. Maar ik voel mij verplicht, mijn personeel, mijn leveranciers, iedereen die mij heeft geholpen, om die af te betalen’. Hij schudde zijn hoofd. ‘En nu?, vroeg de zakenman.

 

De omroepinstallatie riep het volgende station om. De blonde man keek op. ‘Hier moet ik er uit. Fijne dag nog.’ ‘Ja, fijne dag’, antwoordde de zakenman.  Ik moest er ook uit. Ik volgde de blonde man op ruime afstand. Zijn passen sleepten, zijn houding nóg moedelozer dan een half uurtje geleden.

 

Uit het stationsgebouw, waar nu een restaurant in zit, kwam een donkere man, de eigenaar. Hij liep naar de rolcontainer met patat-piepers. Met een grote zak in zijn armen draaide hij zich om. Ineens legde hij de zak neer en zwaaide naar de blonde man. ‘Héé man’, riep hij. ‘Tijd niet gezien, hoe gaat het? Nog steeds bij jouw broer? En jouw baan? Al gewend?’

 

De blonde man liep langzaam naar hem toe. De donkere man was een succesvol ondernemer, had ik in de krant gelezen. Na de vlucht met zijn familie uit Afghanistan hadden ze hier twee prachtige restaurants neergezet. Jaren gesappeld, maar nu waren ze boven Jan.

‘Ben niet meer bij mijn broer en mijn baan ben ik kwijt.’ De rampspoed in een paar woorden.

‘Niet meer bij jouw broer?’ De Afghaan keek stomverbaasd. ‘Waarom?’

‘Mijn schoonzus kon er niet meer tegen’.

 

‘Jouw schoonzus?’ Ik zag hem denken: ‘Wat heeft díe er nou mee te maken?’ ‘En jouw baan? Vanwege Corona?’ ‘Ja, ik was als laatste binnen, dus als eerste eruit’. ‘Waar woon jij nu dan?’ ‘Nergens, het valt niet mee om iets te krijgen’. ‘Nergens?’ ‘Nou, ik kan één keer per week bij mijn broer terecht om te douchen. En voor schone kleren. Meestal zet hij dan ook een mand met eten in de garage….

Ik, eh… ja, ik eh…, ik weet het eigenlijk ook niet meer’.

 

Corona of niet, de Afghaan sloeg zijn arm om hem heen. ‘Hee man’, zei hij, ‘geen nood hè, jij kan toch bij ons? Je weet toch dat we jou altijd helpen? Héé, kom op! Wij hebben een kamer voor jou en mijn vader mist een kok. Ik heb geleerd: Nederland is zó gastvrij, hier, wij zijn zó blij.’

Hij leidde hem naar binnen, terwijl hij naar zijn broer riep om koffie en een bord spaghetti.

Toen ik langs het raam liep zag ik de blauwe ogen. Die leefden weer. Bevrijd: Nederland ís gastvrij.

Nóg een Coronkel lezen? Klik dan op deze link: Verhalen

Gastvrij werd als column gepubliceerd door het Gouds Dagblad op 31-8-2020