Gezelschapsspel

De groep van zes had vanmiddag op het terras willen zitten. Aan één tafel. Hun alfa mannetje had het al geregeld; hij had overal stoelen vandaan gehaald en was nu met de tweede tafel aan het sjouwen. Ondanks de bordjes: ‘Terrasmeubilair niet verplaatsen a.u.b.’ Misschien kon hij niet lezen? Of moest hij nog aan staar geopereerd worden? Hij had er wel zo’n beetje de leeftijd voor.

 

Net toen de anderen arriveerden kwam de restaurantmanager het terras op. Ze keek naar de groep en de tafels waar de stoelen nu ontbraken. Resoluut stapte ze op hen af. Ik zag het alfa mannetje zich wapenen: ‘Dat jonge ding kon hij wel hebben’. Nog even en hij zou zijn bovenlip optrekken en gaan grommen, zo leek het. Maar het jonge ding had het niet voor niets al op haar leeftijd tot restaurant manager geschopt. Vriendelijk, maar uitermate duidelijk legde ze uit dat dat niet de bedoeling was. Ook niet, als ze als één groep hadden geboekt, ze behoorden duidelijk niet tot één huishouden. En dat betekende anderhalve meter afstand van stel tot stel. Dat paste niet aan één tafel. Daarnaast: als ze het hén zou toestaan, dan kon ze het de andere gasten niet ontzeggen. Dat leidde tot onduidelijkheid, maar erger nog: tot ontevreden gasten. Dus als meneer met zijn gezelschap zo vriendelijk wilde zijn om de regels te respecteren en haar te volgen? Haar houding duldde geen tegenspraak. Het alfa mannetje droop grommend af. Eén – nul voor het jonge ding.

 

Na het diner kwam de groep weer in beeld; ze hadden een tafel gereserveerd om een spelletje te spelen. Keurig op onderlinge afstand namen ze plaats; het spel werd zo opgesteld dat iedereen er nét bij kon. Het duurde even voordat ze allemaal een pionnetje in de gewenste kleur hadden gevonden. Een dame met een zilveren kapsel, zo te zien de gezellin van het alfa mannetje, nam het voortouw: ‘Ik neem rood, ik heb altijd rood, als ik geen rood heb, doe ik niet mee’. Over de tafel heen werden veelzeggende blikken gewisseld, maar niemand reageerde.

 

De volgende kleur, blauw, was voor het alfa mannetje. Hij legde niet uit waarom, maar dat het pionnetje onmiddellijk in zijn jaszak verdween zei genoeg: ‘Van mij, áfblijven’. Schuin tegenover hem zat een man met een sjaaltje om. Kennelijk voelde hij zich ongemakkelijk zónder, want het was best warm in de zaal. Hij reikte naar het groene pionnetje. Hij had hem bijna te pakken toen een kreet van zijn overbuurvrouw hem stopte: ‘Nee, néé, groen is voor mij, laten liggen dat ding! Jij had vorige keer ook al groen en toen heb ik verloren, dus nou wil ík groen. Altijd hetzelfde liedje, als ik eens wat wil, pak jij het af.’ De groene pion verdween tussen de vingers van zijn liefhebbende echtgenote. Hij koos zwart. Ik begreep wel waarom.

 

‘Nou, dan blijven geel en wit over voor jullie’, wees rood. De mevrouw rechts van haar keek naar de man tegenover zich: ‘En hoe verdelen wij die twee overgebleven pionnen?, vroeg ze. Ze glimlachte naar hem. ‘Aan jou de keus, mijn liefste.’ Zijn reactie was elegant. Ja, die heb je ook nog, elegante mensen. De olie in onze samenleving. In elke samenleving.

 

‘Dan ga ik voor geel’, zei ze: ‘Jou rest het maagdelijke pionnetje’. Hij lachte: ‘Wit is geen kleur’. Nu de strijd over de pionnen tot ieders tevredenheid was beslist kon het spel beginnen. De dobbelsteen moest uitwijzen wie als eerste mocht. Groen gooide zes. Triomfantelijk zette ze haar pion op het beginvakje. ‘Zie je wel, ik zei toch dat ik groen moest hebben?’

 

Een poosje werd er in stilte geworpen en vakjes afgemeten. Toen de drankjes arriveerden namen ze even pauze. ‘Gezellig hè? Rood keek om zich heen. ‘Ik vind dat écht wat hebben, zo’n avond met z’n allen een spelletje spelen. Lekker ouderwets, niet dan?’

‘Je vergeet gewoon dat er Corona is’, zei zwart. Groen schoot direct uit haar slof: ‘Oh, jij ook altijd! Jij moet áltijd álles bederven. Waarom begin je nu weer over dat Corona? We zijn toch uit om dat te vergeten, om plezier te maken?’ Ze priemde met een vinger in zijn richting. Hij keek haar niet aan: zijn blik week niet van het zwarte pionnetje, zijn makker in de strijd.

Ze hervatten het spel. Nog even en de eetzaal zou langer open moeten blijven. Vanuit de bar had ik goed zicht op de speeltafel, waar ingespannen werd geworpen en pionnen steeds sneller van plaats verschoven.

 

Ineens werd de stilte verbroken door een vloek. Vlak voor ze haar pion veilig op het eindstation zou loodsen was rood er af gegooid. Ze beukte met twee vuisten op tafel, schoof haar stoel met een ruk achteruit, ging staan en sloeg toen het hele bord de zaal in. De pionnen vlogen in het rond, de dobbelsteen rolde onder de radiator, waar de standaard met het bordje ‘verplichte looprichting’ de stille getuige werd van de commotie. Het was maar goed dat hij van staal was, anders zou hij dubbel gebogen zijn van het lachen.

 

Rood ging met venijnige pasjes tegen de looprichting in naar de hal; blauw op haar hielen, roepend: ‘Daar kon ik toch niks aan doen? Ik gooide vier’. ‘Wat een zielig pleidooi!’, brieste rood. Het kleurrijke stel verdween om de hoek. Groen reikte over de tafel, pakte zwart bij zijn mouw en trok hem mee richting de lobby. Zij volgden wel de juiste route.

 

Aan tafel zaten geel en wit elkaar verbijsterd aan te kijken. ‘Gaat dit elke keer zo?’, vroeg geel.

‘Al zolang ik ze ken’, zei wit. Ze stonden op om de pionnen en de dobbelsteen te zoeken. ‘Gelukkig is het bord nog heel’, hoorde ik wit zeggen. ‘Vorige keer moesten we een nieuw spel betalen omdat ze met haar naaldhakken over het bord was gedraafd’. Geel begon te lachen: ‘Gezellig hè? Zo’n gezelschapsspel. Nou dít was meer gezelschaps geha-spel’.

Nóg een Coronkel lezen? Klik op deze link: Verhalen

Gezelschapsspel werd als column gepubliceerd door het Gouds Dagblad op 12-10-2020