Iedereen z’n moeder ?


Iedereen z'n moeder, een Coronkel, een kort verhaal uit de reeks korte verhalen in Corona-tijd, mijn Coronkels.

Er stonden een paar dames voor de ingang van de supermarkt. Ze wachtten op een schoon karretje. Hun mannen waren allang blij dat ze niet mee naar binnen mochten. Ze zaten, keurig op anderhalve meter afstand van elkaar, op een bankje. In de schaduw, want het was ongewoon warm voor de tijd van het jaar. De ene man draaide een sjekkie, de andere zat aan zijn stropdas te wriemelen. Veel te heet, maar afdoen zou hem waarschijnlijk de rest van de dag de das omdoen; zijn echtgenote hield niet zo van casual. Daar was ze heel duidelijk over. Hij zuchtte: dan maar zweten.

 

“Wát een toestand, hè”, begon de stropdas. De roker keek opzij, hij had zojuist zijn sjekkie aangestoken en hield dus zorgvuldig één oog dicht. 

Hij knikte. “Ja”, zei hij, “maar we konden erop wachten, hè, op deze toestand”. 

De stropdas keek hem verbijsterd aan. “Hoe bedoelt u dat? Op wachten?”

“Nou, we zijn toch met z’n allen al jaren onze planeet aan het pesten? Dacht u dat we daarmee ongestraft door konden gaan dan?” 

De stropdas aarzelde zichtbaar voor hij bedachtzaam knikte. “Zou u denken?”

“Tuurlijk ! Geen twijfel over mogelijk. We hebben Moeder Aarde net zo lang getreiterd totdat ze het zat was. Ze heeft genoeg gewaarschuwd en nu worden we opgehokt, opgesloten in onze grotten, net zo lang totdat we weer naar haar luisteren. We hebben huisarrest, om het zo maar eens te zeggen. En omdat ze nou eenmaal iederéén z’n moeder is, hebben we er allemaal last van. Allemaal !”

 

De stropdas luisterde aandachtig. “Iedereen z’n moeder?”, vroeg hij, “denkt u dat?”

“Iedereen mag van mij geloven wat hij wil”, antwoorde de roker,  “maar zo zie ik het. Ze heeft gewaarschuwd en gewaarschuwd en tikkies uitgedeeld en nu is het genoeg geweest. Ophouden ! Dat is wat ze ons nu duidelijk maakt.” Hij stak een waarschuwende vinger omhoog. “Ophouden!”, zei hij nog eens.

Er kwam een karretje vrij en een beetje teleurgesteld ging ik boodschappen doen. Misschien waren ze er nog als ik klaar was?

 

Maar de beide mannen waren vertrokken. De rest van de dag werkte ik in de tuin, waar mijn krootjes, bonen en sla al aardig aangeslagen waren. Het was stil in de buurt. Op de stemmetjes van een paar kleine meisjes na, die met dit mooie weer nu lekker in de tuin konden spelen, want de school en de BSO waren gesloten. Dat vond ik toch wel bijzonder, dat hoorde ik anders nooit. “De kleine kinderen hoeven niet in lock-down, die zijn nog onschuldig en verdienen geen straf”. De gedachte overviel mij, maar ik vond het idee niet zo idioot als ik het een paar weken eerder zou hebben gevonden. 

 

Na het avondeten ging ik een stukje wandelen. De avond heeft zo zijn eigen charme. De geluiden worden anders en omdat het stiller wordt, ook veel beter hoorbaar. In de sloot naast het pad kwaakten de kikkers oorverdovend; vóór mij en àchter mij. Maar niet náást mij. Naast mij hielden ze hun bek dicht.  Zo verplaatste het gekwaak zich langs het pad, het liep gelijk op met mijn stappen. Dit maak ik elk jaar mee, maar nu viel het extra op. Ze willen niks meer zeggen; waarom zouden ze ook, als we toch niet luisteren? We zijn uitgepraat… Zijn we dat? 

 

Hoe had de roker het ook alweer gezegd? “iedereen z’n moeder”. Dus ook die van de kikkers. 

Is dit de tijd om de balans op te maken, om een nieuw evenwicht te vinden? 

We kunnen het proberen. Ik ga er in ieder geval zelf al mee beginnen. 

Een goeie moeder blijft niet erg lang boos. Laat staan ‘iedereen z’n moeder’. 

Eéns is ons huisarrest afgelopen.

Maar ik denk niet dat we dan gelijk een knuffel krijgen.