Krasse knarren

Tot diep in de nacht zijn de leden van de schaatsclub bezig om de ijsvloer in orde te krijgen. Nadat het toegangshek sluit blijft een groepje vrijwilligers achter om te vegen en te sproeien. Dat gaat met een machine, ronde voor ronde komt er een glimmende laag op de beschadigde ijsbaan. Meestal zijn ze de hele nacht in de weer, soms gaan ze pas naar huis als de avondklok ten einde is.

 

Vrijwilligers die met z’n allen de schouders er onder zetten om hun club overeind te houden. ’s Zomers is het terrein een skatebaan en wordt er les gegeven en getraind. Maar vorig jaar ging ook dat natuurlijk allemaal anders dan anders. Met deze aanhoudende vorst is het dus zaak om de baan zoveel mogelijk te openen. Vandaar de nachtelijke activiteit in de barre kou.

 

Nu zou je denken, dat zijn een stel jonge kerels, maar niets is minder waar. Verreweg de meesten, zo niet allemaal, zijn de 70 dik gepasseerd. Ze kennen elkaar al jaren en vinden elkaar in hun gezamenlijke passie: schaatsen. De vorige keer dat ze tot diep in de nacht aan het sproeien waren heeft een buurtbewoner nog vlaai gebracht als ‘hart onder de riem’. Nu met de avondklok lijkt dat uitgesloten. Hoewel het hier in de buurt ook niet wemelt van overijverige hermandad, die als duveltjes uit een doosje uit de bosjes springen, speurend naar overtredingen.

 

De krasse knarren lijken onvermoeibaar. ‘Niet praten, maar doen’, is het motto. Een motto dat overigens door alle leden van de vele verenigingen die mijn dorp rijk is wordt gedragen. Hoeveel krasse knarren de afgelopen decennia er voor hebben gezorgd dat die verenigingen konden groeien en bloeien, weet ik niet. Het moeten er vele duizenden geweest zijn.

 

Mensen, die nooit lid zijn geweest van een vereniging, zich er nooit echt voor hebben ingezet, kennen niet de vreugde en de tomeloze energie die het ‘werk’ voor een club met zich meebrengt. Ja, het kost tijd en moeite, maar wat krijg je er wel niet voor terug? Gezamenlijke inspanning loont en na gedane arbeid is het goed toeven met een glaasje en een knabbeltje in de kantine, aan de bar of op een terras. Langzaam maar zeker bouw je samen geschiedenis. Mét die geschiedenis komen de verhalen. Vooruitkijken naar een klus is zeker zo leuk als herinneringen ophalen aan de klussen die al geklaard zijn.

 

De krasse knarren van de schaatsvereniging, waarvan de baan direct achter mijn achtertuin ligt, zullen over honderd jaar nog slechts een foto zijn in het jubileumboekje van de club. Hoop ik. Nu smaak ik het genoegen om vanuit mijn zolderraam de kleurige mutsen, de rode konen en bijpassende neusjes van de kleuters te zien. Krabbelend op hun schaatsen, hun bips wit van het losse ijs na talloze valpartijen. Weer opstaan en gelijk verder. Ze voelen geen kou, ze hebben alleen maar lol.

 

Daarin verschillen ze niet van de krasse knarren, die dit allemaal mogelijk maken. Hun nachtelijke bezigheden geven aan zoveel méér mensen prachtige herinneringen dan alleen de doorzetters op hun gladde ijzers. Wandelaars blijven een ogenblik staan om het oud-hollandse schouwspel in zich op te nemen. Corona is even heel ver weg, effe zorgeloos genieten nu.

 

Mijn eigen krasse knar lijkt een beetje op die stoere kerels van de schaatsclub. Ik leerde hem kennen toen mijn opa en oma in mijn dorp kwamen wonen, begin jaren 70. Vaak fietste ik hem straal voorbij, mijn gedachten alvast bij de gezellige uren in de knusse woonark van mijn grootouders. Dat veranderde eind 1984, toen ik nader kennis met hem maakte. Ik was op slag verliefd.

 

Er was een wonder voor nodig om hem en mij definitief bij elkaar te brengen. En dat gebeurde. Eind januari ‘85 begon voor mij de mooiste periode van mijn leven. Samen met mijn krasse knar, die al uit de 30-er jaren stamt, maar die mij sinds die eerste ontmoeting heeft omarmd. Ik heb hem met liefde omringd en wát een warmte heb ik altijd terug gekregen. Regen, sneeuw, storm, barre kou, hij heeft het allemaal getrotseerd.

Net als de krasse knarren van de ijsclub.

 

Slechts een enkele keer waren mijn inspanningen niet genoeg om hem de kans te geven mij voldoende beschutting te bieden. Zoals vandaag. Echt teleurgesteld ben ik niet, want wat kan hij er nou aan doen? De jaren gaan tellen, alle zorg en inspanning ten spijt.

 

Ik besluit om de tapijttegel, waar het smeltwater een kleine vlek in heeft gemaakt, nog niet te vervangen. Hij is gemakkelijk te reinigen. Warm spreek ik mijn teleurgestelde krasse knar toe: ‘Jij kunt er niks aan doen, iedereen heeft wel eens een slechte dag. Heus, het komt wel goed!’

 

Nog een aai en een knipoog; ik hoop hij daar van opknapt. Eigenlijk weet ik dat wel zeker.

Hij ziet er nu al een stuk blijer uit dat zijn 49 leeftijdsgenoten in de straat.

Mijn fijne warme huis: mijn eigen krasse knar.

Nóg een Coronkel lezen? Klik op deze link: Verhalen

Krasse knarren werd als column gepubliceerd in het Gouds Dagblad op 14-2-2021