Veilig Voorjaar

Zo vlug als Nederland bedekt raakte met een witte deken, zo snel was het glibberige goedje ook weer verdwenen. Het ijs op sloten, grachten en vaarten had er iets langer voor nodig, maar ook daar moet je nu, nog geen week na de laatste schaatspret, goed naar zoeken. Wat mij betreft is een week echte winter wel genoeg; normaal gesproken wijk ik in deze tijd een paar weken uit naar het zonnige zuiden, maar daar is het dit jaar niet van gekomen door een onzichtbaar monster.

 

Elke dag raak ik meer en meer geïnteresseerd in de weersvoorspelling. Zie ik het goed? Krijgen we dubbele cijfers en wat zon? Dit weekend al? Ik kan mijn geluk niet op. Nu de sneeuw ook mijn tuin niet meer toedekt is zichtbaar welke ‘schade’ er is. De talloze katten uit de buurt, die vroeger door mijn eigen kat werden verjaagd, hebben hun kans schoon gezien om overal hun eigen kattenbak te maken. Bah! Wat een vieze troep. Toen ik, nog gedwongen door gure wind en kille regenvlagen, mij over het tuinpad naar mijn achterdeur haastte, kon het mij niets schelen. Maar nu de krokussen hun kleurige kopjes tonen en ik de andere winterslapers bijna uit de grond hoor schieten, krijg ik echt zin om de tuin in te gaan.

 

Gehuld in mijn tijgerjasje, meer dan 20 jaar geleden op de kop getikt en met mijn nóg oudere gele regenlaarzen trek ik de tuin in. Handschoenen aan, emmers mee en een schepje. Eerst de uitwerpselen weg, dan het onkruid om zoveel mogelijk meters zwarte grond zichtbaar te laten worden. Oh, die geur, de geur van zwarte aarde waar de eerste voorjaarszon langzaam een beetje warmte perst. Na een week keihard bevroren te zijn geweest lijkt het wel of de aarde nu zijn pels schudt, parasieten verjaagt en zich koestert in de zonnestralen die deze dag beloofd worden. Ik ben dol op die geur.

 

Het is een vertrouwde geur, één die een belofte herbergt, de belofte aan vrolijke kleuren en rijke oogsten. De tuinbonen en peulerwten liggen al een paar weken op hun plek, gemarkeerd door bamboe stokjes en een stukje gaas. Over een paar maanden staan daar verse tuinbonen en knapperige peulen. Heerlijk! Maar eerst komen de bloemen, witte bij de tuinbonen, die op tijd getopt moeten worden om te voorkomen dat zwarte luis zich tegoed doet aan de jonge knopjes. Rode, paarse, lila en witte geurende bloemen op de plek van de peulen, gesteund door het gaas dat nu veel te hoog lijkt, maar dat straks hoognodig zal zijn.

 

Het vroege voorjaar in mijn tuin is elk jaar weer een reis door sprookjesland. De paar overgebleven rozenbottels, zoet geworden door de vorst, zijn nu een onweerstaanbare lekkernij voor de vogels. Die hebben alle bessen van de hulst uit mijn kerststukjes verorberd en zijn toe aan een verandering in hun menu. Met mijn neus onder de perenboom zie ik de knopjes voorzichtig zwellen, nog angstig voor een omslag in het weer die in deze tijd nog op de loer ligt.

 

De winterbloeiende kers is uitgebloeid, maar als het weer alsnog omslaat is hij de eerste om de tuin weer te sieren met witte bloesem. Ik hoop maar dat ik dat dit jaar niet hoef mee te maken. Een Hamamelis, de Chinese toverhazelaar, heb ik niet, maar die zie ik al overal in prachtige gele en roest-rode tinten het naderende voorjaar verwelkomen.

 

Als het voorjaar doorzet, weet ik dat door mijn Forsythia, het Chinees klokje, dat zijn oude hout geel laat kleuren. De nieuwe scheuten van vorig voorjaar bloeien volgend jaar pas. Het meest in mijn nopjes ben ik als de Brem zijn bloemetjes opent die hun heerlijke neus-vullende parfum door de tuin laten zweven. Tot die tijd moet ik het doen met de geur van de opwarmende aarde.

 

In gedachten maak ik een lijstje van de zaken die dit voorjaar aandacht nodig hebben; een paar verrotte latten aan de schuur, het tuinpad moet geboend, er moet grind worden besteld. Het is al gauw een imposante lijst met een nog tijdrovender vervolg. Als de zon daalt en de schaduwen langer worden, is het tijd om nog één keer door de tuin te lopen. Wát een verschil met vanochtend, toen het nog zo’n rommeltje was.

 

Genietend kijk ik in het rond, waar moeten straks de groenten? Waar de bloeiers? Zou de snijbiet uit zichzelf terug komen? En de rucola? In de schemeruren voor zonsondergang verdwijnt de vertrouwde geur van de zwarte aarde. Hurkend woel ik nog één keer met mijn handen door de rulle grond, stukgevroren en dus anders van structuur dan voorgaande jaren.

 

Er is nóg een ding waardoor ik in deze tijd zo intens geniet van de tuin. Iets waar ik dit jaar langer dan anders, aan huis gebonden door Corona, van kan genieten. Dat is niet de geur van de grond, niet de geurige gele bloemen. Ook niet de vogels, die zich steeds meer laten zien, smullend van de zaadbollen en pinda’s. Het vroege voorjaar is hét seizoen waar ik onbezorgd in de grond kan woelen, omdat het enige wat mij altijd schreeuwend uit mijn tuin verjaagt zich niet laat zien. De padden houden nog winterslaap.

Nog een Coronkel lezen? Klik dan op deze link: Verhalen

Veilig voorjaar werd als column gepubliceerd in het Gouds Dagblad op 21-2-2021