Zo vanzelfsprekend

Zo vanzelfsprekend,  een kort verhaal uit de serie Coronkels, korte verhalen in Corona-tijd.

Wat doen ze daar toch? Eerst dacht ik dat een toerist was vergeten om zijn 5-liter plastic fles mee te nemen op weg naar het vliegveld. Vreemd, want water is het laatste dat je vergeet op een zonovergoten bestemming. Misschien te lastig, want ze zijn best wel groot, die flessen. Op de hoeken bij de ingangen naar gebouwen lijkt het steeds vaker voor te komen. Eén links, één rechts, soms met een beetje water, soms bijna vol.

 

Bij de meeste gebouwen staan er twee keurige flessen, bij andere twee hele vieze, met water erin, dat je als chemisch afval zou moeten afvoeren. Bij andere gebouwen staat er niets en, heel opvallend, bij de taxistandplaatsen en de bushaltes staat er nooit één. Ze vergeten ze dus altijd bij de toegangspoort, nooit ergens anders.

 

In dit Coronajaar word je gedwongen opmerkzaam te zijn op dingen, waar je in de normale wereld nooit aandacht voor zou hebben gehad. Neem nou een simpele wandeling; iedereen binnen een straal van 2 meter is ineens een mogelijke besmettingsbron in plaats van een enthousiaste mede-genieter. Als Google mijn wandelingen op de centimeter zou registreren ziet mijn kaart eruit of ik kriskras over de straat heb gelopen, zwalkend van de ene lantaarnpaal naar de andere.

 

Nu is Google wel wat gewend in de door dronken toeristen bevolkte vakantieplaatsen. Ik wil wedden dat Google inmiddels de exacte plek van alle lantaarnpalen weet, waar de lamme lui zich aan vast klampen. Voor zover Google dat al niet uit andere bronnen wist. Maar Google kan mij niets wijzer maken over de mysterieuze waterkannen.

 

Nu ik drukke plekken vermijd, voeren mijn wandelingen meer dan anders naar kleine dorpjes, kronkelige straatjes en hoge heuvels. Spectaculaire uitzichten zijn de beloning na een klamme klim. Als ik hier toch eens zou kunnen wonen… Maar ik heb er tot nu toe voor gekozen om het beste uit twee werelden te halen. Mijn zonnige vakanties in Spanje wil ik niet graag missen, maar mijn fijne leven in Nederland ook niet.

 

Meter na meter vorder ik in de stille dorpen en bewonder ik de typisch Spaanse huizen. Een beetje moeite kost dat wel, want de tuinen zijn vaak omringd door muren met rieten afscheidingen er bovenop, heggen van coniferen of bougainvillea’s. Of, als het een dure moderne vierkante witte villa is, een roestvrijstalen of aluminium hek. Ik vind de ouderwetse muurtjes, waarvan de stenen als een ware legpuzzel in elkaar zijn gepast, het mooiste. Er achter staan meestal eenvoudige huisjes met een koele veranda eraan.

 

Al stappende begint mij iets op te vallen: de waterkannen staan hier óók. Bij de huizen met de dure hekken kan ik er geen een ontwaren, maar bij de huizen met de ouderwetse stenen muren staan ze geregeld. Behalve mijzelf is hier in de verste verte geen toerist te bekennen. Dat betekent dat het een Spaanse gewoonte zou moeten zijn?

 

Elke cultuur heeft zo zijn eigen dingen die voor een buitenstaander eigenaardig zijn, maar voor de eigen mensen heel vanzelfsprekend. Is dat ook het geval met de waterkannen? Ik zie niemand aan wie ik het kan vragen, de kronkelige straten zijn leeg. Heerlijk zorgeloos met het oog op de 2 meter, maar in dit geval onhandig.

 

Een paar ‘eigen’ zaken in het Spaanse ken ik al: de verschillende gebaren voor ‘koppie-koppie’ en ‘beetje getikt’. In Nederland respectievelijk met je vinger aan de zijkant van je hoofd en op je voorhoofd tikken, in Spanje precies andersom. Hoog tijd om iets bij te leren. Maar eerst even een korte siësta.

 

Nadat ik een uiltje heb geknapt en van een verfrissende douche heb genoten is het tijd voor mijn avondeten. Zoals zo vaak eet ik in een typisch Spaans tentje waar de eigenaar zelf achter het fornuis staat. Hij zit op het terras. Ik wil net vragen wat de pot schaft, als de vrachtwagen met gasflessen passeert. Wat een herrie! Maar het kan zo’n herrie niet zijn, of de restauranteigenaar weet het te overstemmen: hij schreeuwt iets naar de chauffeur. Die steekt zijn hand op door het openstaande raam en brengt de rammelkar piepend en kreunend tot stilstand. ‘Dos', schreeuwt de restaurantbaas. Oh, hij wil twee gasflessen.

 

Met één loodzwaar ding op zijn nek en één in de hand komt de chauffeur naar binnen. De weg is net breed genoeg voor één auto, dus er begint zich een file te vormen. Het zal niet lang duren of ze gaan ….

Ja hoor, daar heb je het al, een ongeduldig getoeter vult de avond. Wat twee Nederlanders misschien tot spoed zou manen, maar hier ligt dat toch anders. Als beloning krijgt de chauffeur een bakje koffie mee en dat wordt vers gezet. Nog even geduld mensen.

 

Na de heerlijke Arroz Marinera, vissoep met rijst, grote garnalen, mosselen en inktvis, denk ik weer aan de waterflessen. Eerst lijkt de eigenaar mij niet te begrijpen. Dat snap ik wel want mijn Spaans is nog niet super. Bovendien zijn zaken uit je eigen cultuur vanzelfsprekend en dan is het lastig te bevatten als een ander die niet begrijpt. Nog een keer uitleggen: ‘Die waterkannen, wat doen die daar?’

 

Ineens begrijpt hij wat ik bedoel. Het antwoord is kinderlijk eenvoudig: ‘Tegen de honden’. Die plassen anders tegen de poreuze stenen van de muurtjes en die stank krijg je er niet makkelijk uit. Zo’n plastic fles spuit je in een handomdraai schoon. Waarom had ik dat nou zelf niet kunnen bedenken? Zo vanzelfsprekend.

Reageren op 'Zo vanzelfsprekend'? Stuur een mail naar marianne@coronkels.nl

Nóg een Coronkel lezen? Klik op deze link: Verhalen

Zo vanzelfsprekend werd als column gepubliceerd in het Gouds Dagblad op 11-7-2021